#1

januari 2010

Letterkundige Music Hall

De jijboom

Maria Barnas

Dichters krijgen de meest vreemde verzoeken. Het afgelopen jaar werd ik onder meer benaderd om ‘een ode aan de met uitsterven bedreigde albatros’ te schrijven, ‘iets prikkelends voor de opening van een vergadering over de aow’ en ‘een serie over de aanleg van de tweede Maasvlakte’. Je kunt gelukkig weigeren. Maar soms is dat niet mogelijk. Omdat je degene kent die het vreemde verzoek doet, of omdat je diegene graag zou willen kennen. Omdat er een vergoeding tegenover staat. Of omdat je de lijst reeds benaderde dichters zo indrukwekkend vindt, dat je er graag op zou staan.
Ik verstop me achter een ‘jij’. Een stevige jijboom stel ik me voor, met uiwaaierende je- en jijtakken, waarachter niemand mij hoort of ziet.
Mensen verschuilen zich graag achter de jijboom, wanneer ze het moeilijk vinden iets over zichzelf te vertellen.
Een uitzondering op dit gebruik wordt gevormd door voetballers. Zij spreken altíjd over zichzelf in de tweede persoon. Anton Korteweg laat in het gedicht ‘Vreemde man’ uit de bundel Tussen twee stilten (1982) zien hoe dat gaat:

Dwalend op voetbalschoenen en in rood en wit,
straat in, straat uit, huilend: je moet
tegen Benfica in het Parc des Princes
en hebt nog een kwartier, krap – dat gevoel
dat ken je toch? En dat er dan ineens
iemand die ook die kant op moet je bij je naam
roept – Johan dus –; je stapt snel in en droogt
je tranen, hij geeft gas en rijdt
glimlachend de andere kant op – dat gevoel.

Wat ik moeilijk vind om over mezelf te vertellen: ik laat me te gemakkelijk verleiden tot het schrijven in opdracht. De uitnodiging hoeft maar te openen met een compliment en ik heb al toegezegd.

Lees de complete inleiding van Maria Barnas